Vervuiling van steenachtig materiaal door roetaanslag.
Vervuiling van steenachtig materiaal door roetaanslag.

Naar een beter beheer van bouw- en sloopafval

Jaarlijks ontstaat er in België meer dan tien miljoen ton bouw- en sloopafval. Dit afval vormt een groeiend probleem binnen de huidige samenleving. Om hieraan te remediëren, kan men zijn toevlucht nemen tot afvalpreventie, hergebruik van materialen en recyclage. Hierna zetten we twee concrete ontwikkelingen in de schijnwerpers.

1. Inventarisatie van contaminanten in te slopen gebouwen

De meeste bouwwerken bevatten stoffen die schadelijk kunnen zijn voor de mens en het milieu. Zo werden sommige oudere gebouwen opgericht met materialen waarvan we tegenwoordig weten dat ze gevaarlijk zijn (bv. asbest, zware metalen, …) en raakten andere vervuild door stoffen uit de omgeving (bv. minerale olie).

Met het oog op een optimale recyclage komt het er bij de sloop van dergelijke gebouwen dan ook op aan de verontreinigde materialen te scheiden van de herbruikbare inerte fractie (d.i. selectief slopen). In dit kader is het essentieel dat men reeds vóór de aanvang van de sloopwerken weet waar de schadelijke stoffen zich precies bevinden in het gebouw.

Om deze identificatie te vergemakkelijken, werd binnen het Europese IRMA-project een methode ont­wikkeld ter inventarisatie van de contaminanten in te slopen gebouwen.

Deze methode omvat de volgende stappen :
  • uitgaande van een historisch onderzoek (plannen, vergunningen, vroegere gebruikers) wordt een lijst opgesteld van te verwachten contaminanten
  • vervolgens wordt een werfbezoek uitgevoerd om deze vermoedens te bevestigen en om de eventuele aanwezigheid van andere schadelijke stoffen ter plaatse vast te stellen
  • indien deze visuele inspectie geen uitsluitsel geeft over de ernst van de situatie, gaat men over tot monsterneming en analyses in het laboratorium
  • aan de hand van de aldus bekomen resultaten wordt een selectief sloopplan opgesteld.
Dankzij deze methode is het mogelijk de hoeveelheid verontreinigd puin dat aangeboden wordt aan de recyclingcentra evenals de hoge kosten voor het storten van gevaarlijk afval te beperken.

2. Een betere recyclage van kunststof

Ondanks
Nuttige informatie
Dit artikel kwam tot stand in het kader van de werkzaamheden van de Technologische Dienstverlening 'Integraal afvalbeheer en recycling voor de bouw', met de financiële steun van het IWT.
het feit dat kunststofafval slechts een fractie van ongeveer 1 % (in gewicht) van de totale hoeveelheid bouw- en sloopafval vertegenwoordigt, neemt dit heel wat plaats in in de afvalcontainers. Het prijskaartje dat hieraan vasthangt is bijgevolg niet te verwaarlozen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat nieuwe inzamelsystemen, zoals het Clean Site System, die een eenvoudige en goedkope verwijdering van kunststof mogelijk maken, in België een groeiend succes kennen.

Ook op Europees niveau wordt er gewerkt aan een beter beheer van kunststofafval. Zo heeft het APPRICOD-project, dat tot stand kwam in het kader van het LIFE-programma, de optimalisatie van de selectieve inzameling van kunststofafval in de bouwsector en de verspreiding van voorbeelden van goede praktijk voor ogen. Dit gebeurt via pilootprojecten in verschillende landen (bv. de restauratie van het Atomium), waarbij scenario's voor de inzameling van kunststofafval op bouwplaatsen getest worden.

Deze pilootprojecten hebben aangetoond dat :
  • extra containers op de werf zorgen voor een aanzienlijke meerkost, maar dat de afvoerkosten daarentegen verminderen
  • het sorteren en scheiden van de verschillende kunststofsoorten eenvoudiger is op de werf, maar dat de specifieke kennis die hiervoor vereist is, vaak ontbreekt
  • de overheid een belangrijke rol kan spelen bij de bevordering van de recyclage van kunststofafval.
Een concreet resultaat van het APPRICOD-project is de toolbox 'Waste management on the building site', die naast een verklarende brochure ook een aantal praktische fiches bevat die kunnen gebruikt worden in het kader van sensibiliseringsacties tijdens werfvergaderingen.


Volledig artikel


J. Vrijders, ir., onderzoeker, laboratorium 'Duurzame ontwikkeling', WTCB