Toegankelijkheid van buitenschrijnwerk (deel 1) 2006/04.04

Om gebouwen toegankelijk te maken is meer nodig dan een voldoende brede deur en de afwezigheid van een dorpel. Men moet echter vaststellen dat de realisatie van 'integraal toegankelijke' inkomdeuren, vensterdeuren of schuiframen niet altijd van een leien dakje loopt en dat de eisen op het vlak van de wind- en waterdichtheid en brandveiligheid dikwijls onverzoenbaar zijn met de toegankelijkheidseisen.
Om de integrale toegankelijkheid van het buitenschrijnwerk te waarborgen, moet aan drie voorwaarden voldaan worden :
  • de toegang moet goed bereikbaar zijn
  • het buitenschrijnwerk en het hang- en sluitwerk moeten makkelijk bedienbaar zijn
  • het hoogteverschil tussen de binnen- en buitenomgeving mag niet groter zijn dan 20 mm.
In dit artikel wordt de aandacht toegespitst op de eerste twee eisen. In een volgende bijdrage zal dieper ingegaan worden op de 20 mm-eis.

Bereikbaarheid van de toegang

Hellend vlak om het gebouw toegankelijk te maken voor personen met beperkingen.
Hellend vlak om het gebouw toegankelijk te maken voor personen met beperkingen.
Tengevolge van de federalisering van België is toegankelijkheid vooral een regionale aangelegenheid geworden en vertoont het beleid in de drie Gewesten een aantal verschillen.

In Vlaanderen is het KB van 9 mei 1977 in uitvoering van de wet van 1975 van kracht, in Wallonië gelden de artikels 414 en 415 van de CWATUP en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is er de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening waarvan de hoofdstukken IV (gebouwen) en V (wegen) gewijd zijn aan personen met beperkingen.

De bestaande wetgeving is echter verouderd en biedt onvoldoende garanties om te komen tot een integrale toegankelijkheid. Zo is de essentiële eis om het hoogteverschil tussen de binnen- en buitenomgeving te beperken tot 20 mm enkel terug te vinden in de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Wat de noodzakelijke opstelruimte voor en achter de deur betreft, die nodig is om deze eenvoudig te kunnen openen en sluiten, wordt in de regel een oppervlakte van 150 op 150 cm voorzien. Bij renovatie en eengezinswoningen is dit evenwel vaak moeilijk haalbaar en moet gezocht worden naar alternatieve oplossingen.

Bedienbaarheid van het schrijnwerk en het hang- en sluitwerk

Een eerste voorwaarde om de integrale toegankelijkheid van het buitenschrijnwerk te waarborgen, is de bereikbaarheid van de toegang.
Een eerste voorwaarde om de integrale toegankelijkheid van het buitenschrijnwerk te waarborgen, is de bereikbaarheid van de toegang.
De maatvoering van het deurgeheel zelf moet correct worden uitgevoerd. Hierbij moet in eerste instantie aandacht geschonken worden aan de ruwbouwopening, de minimale vrije doorgang en de opstelruimte naast de deur.

Verder mag de vereiste bedieningskracht niet uit het oog verloren worden. Voor personen met beperkte armkracht, rolstoelgebruikers of ouderen met een rollator mag deze immers niet groter zijn dan 30 N of 5 Nm. Daar staat tegenover dat deuren tegenwoordig vaak worden voorzien van drangers om ze zelfsluitend te maken met het oog op de inbraak- en brandveiligheid van de woning.

Tenslotte worden ook voor het hang- en sluitwerk richtlijnen gegeven om het makkelijk hanteerbaar te maken voor ouderen en personen met motorische en/of visuele beperkingen.

Nuttige informatie
Dit artikel kwam tot stand in het kader van een project van Thematische Innovatiestimulering met als titel 'Toegankelijkheid, aanpasbaarheid en innovatie in de woningbouw' dat het WTCB momenteel uitvoert in samerwerking met NAV (de Vlaamse Architectenorganisatie) en InHAM (het Innovatiecentrum voor Huisvesting met Aangepaste Middelen).
Vlaams Innovatienetwerk


Volledig artikel


S. Danschutter, ir.-arch., onderzoeker, laboratorium 'Duurzame ontwikkeling', WTCB