Uitbloeiingen op baksteenmetselwerk 2006/02.08

Uitbloeiingen op baksteenmetselwerk voor gebruik in buitengevels vormen een waar probleem dat dikwijls optreedt na de beëindiging van de werken. Hoewel ze meestal enkel het esthetische uitzicht van het gebouw beïnvloeden, zijn de negatieve gevolgen ervan onweerlegbaar. Het probleem van uitbloeiingen kan bovendien leiden tot kostelijke betwistingen tussen de betrokken partijen : de opdrachtgever, de aannemer, de architect, de baksteen-, mortel- en cementfabrikanten.
Vanuit een normatief oogpunt geeft de EN 771-1 slechts een aanduiding over de hoeveelheid potentieel expansieve actieve oplosbare zouten in de baksteen. Ook de nog steeds gebruikte oude Belgische norm NBN B 24-209, beoordeelt enkel de gevoeligheid voor uitbloeiingen van de bakstenen op zich, zonder de uitwisselingen met het hydraulische bindmiddel in aanmerking te nemen. De meeste studies over dit onderwerp hebben echter aangetoond dat het vooral de baksteen-mortelverbinding is, die leidt tot het ontstaan van de uitbloeiingen.

De nationale en internationale normalisering vertoont een nijpend gebrek aan proefprocedures die de bouwprofessionelen kunnen helpen bij het voorkomen en het karakteriseren van dit verschijnsel. Daarom heeft het WTCB, in samenwerking met het CWOBKN, een onderzoek uitgevoerd dat tot doel had een dergelijke proef te ontwikkelen. Na afloop van dit project wordt een normaliseerbare proef ter bepaling van de gevoeligheid voor uitbloeiingen van baksteenelementen voorgesteld aan de belangrijkste betrokken actoren.

1. Vorming van zoutuitbloeiingen

Uitbloeiingen
Uitvoering van de proef op de oranje baksteen zonder verschijning van uitbloeiingen.
Gebouw waarbij er zoutuitbloeiingen voorkomen op de rode baksteen, maar niet op de oranje.
Uitvoering van de proef op de rode baksteen met verschijning van uitbloeiingen (sluier en kristallen).
op gevelmetselwerk zijn toe te schrijven aan de kristallisatie van zouten aan het oppervlak na hun migratie naar het verdampingsfront van het water waarin ze vervat zaten tijdens een drogingsperiode, volgend op een bevochtiging. Ze moeten duidelijk onderscheiden worden van de kalkafzettingen die ontstaan naar aanleiding van de intense bevochtiging van het metselwerk, vlak na de uitvoering of het opvoegen.

Zoutuitbloeiingen bevatten doorgaans Na-, K-, Mg- of Ca-sulfaten. Ze ontstaan gewoonlijk door een reactie van het CaSO4 uit de baksteen met de NaOH- of KOH-hydroxyden uit het hydraulische bindmiddel. Voor de vorming van zoutuitbloeiingen in het metselwerk is een zekere hoeveelheid water vereist.

Het water, afkomstig van de werken of van slechte weersomstandigheden, kan aanleiding geven tot de ontwikkeling van zouten (in aanwezigheid van voornoemde elementen) en tot hun migratie naar het metselwerk. Het verschijnen van zouten aan het geveloppervlak is dus afhankelijk van het drogingsgedrag van het metselwerk onder specifieke omgevingsomstandigheden.

2. Gevoeligheidsproef

Voor de ontwikkeling van de nieuwe proef was het nodig de kritieke waarden te identificeren en te bepalen van de parameters die de verschillende sleutelmomenten in het onstaan van de uitbloeiingen karakteriseren : de uitvoering, de nabehandeling, de bevochtiging en de droging.

Aan de hand van deze studie werd een proefprocedure opgesteld. Hiertoe wordt er een muurtje gemetseld, bestaande uit drie rijen baksteen, rekening houdend met de reële baksteen-mortelverhoudingen.

Na een curing van 14 dagen wordt het geheel gedurende 14 dagen in contact gebracht met een bad met een constant waterniveau. Vervolgens wordt het gedroogd bij een temperatuur van 25 °C en een relatieve luchtvochtigheid van 50 %. Na het bereiken van een constante massa kan men overgaan tot de beoordeling van het uitzicht van het proefmuurtje.

Deze proef werd verschillende malen vergeleken met waarnemingen, uitgevoerd op reële uitbloeiingen. Dit gebeurde zowel door middel van een blootstellingssite (meer dan 100 proefmuurtjes van zo'n 0,5 m² te Limelette), als door de opvolging van bestaande gebouwen. Hieruit is gebleken dat de proef voldoende betrouwbaar en reproduceerbaar is om in de toekomst de grondslag te vormen van een nieuwe norm terzake. Ze maakt momenteel het voorwerp uit van besprekingen tussen de producenten en de certificeringsinstellingen, met het oog op de bevordering van haar toepassing.

We willen er bovendien op wijzen dat het erg belangrijk is om het metselwerk zowel tijdens als na de uitvoering correct te beschermen tegen de regen. Ook de materialen die nog niet gemonteerd werden, dienen afgeschermd te worden tegen een overmatige bevochtiging.

Ch. de Bueger, ir., onderzoeker, laboratorium "Ruwbouw- en afwerkingsmaterialen", WTCB
F. de Barquin, ir., afdelingshoofd, afdeling "Materialen", WTCB