Beton nabehandelen 2004/01.04

De nabehandeling van jong beton is een beschermingsmaatregel tegen de vroegtijdige uitdroging ervan en bestaat erin het beton af te schermen tegen atmosferische invloeden.
Dit is noodzakelijk indien men wil dat het beton de gewenste eigenschappen verkrijgt : mechanische sterkte, maar ook weerstand tegen de omgevingsbelastingen (CO2, Cl, chemische aantasting, slijtage, ...).

In de zomereditie van het WTCB-Tijdschrift van 1998 verscheen een artikel waarin het belang van een nabehandeling, de mogelijke technieken, de duur van de behandeling en de beperkingen van de producten aan bod kwamen.
Rekening houdend met het gewijzigde normatieve landschap in België moet dit artikel voor de volgende twee aspecten geactualiseerd worden:
  • de nabehandelingsduur
  • de nabehandelingsproducten.

1. NABEHANDELINGSDUUR

De vereiste nabehandelingsduur hangt vooral af van de tijd, nodig voor het verkrijgen van een zekere ondoordringbaarheid.
Ze is eveneens verbonden met de sterkteontwikkeling van het beton (maturiteit) en met de gestelde duurzaamheidseisen (blootstellingsklassen).
Daarnaast spelen ook nog andere factoren een rol, zoals het gebruikte cementtype en zijn klasse, de water-cementfactor, de betontemperatuur, de weersomstandigheden bij de verharding of de blootstelling van het beton achteraf.

Het is bovendien duidelijk dat :
  • cementsoorten met een snelle sterkteontwikkeling minder gevoelig zijn voor een nabehandeling dan cement met een trage binding
  • voor de cementtypes II, III en V, een langere nabehandelingsduur aanbevolen is dan voor cement van type I
  • de nabehandelingsduur moet verlengd worden bij lage temperaturen, aangezien de hydratatie trager verloopt
  • bij chemische belastingen achteraf, de invloed van de nabehandeling minder gunstig is dan bij een blootstelling aan een omgeving van klasse X0 (geen enkel risico op corrosie of aantasting) of klasse XC1 (enkel corrosie door carbonatatie), bijvoorbeeld.
De minimale nabehandelingsduur kan bepaald worden met de volgende criteria :
  • de opvolging van de sterkteontwikkeling
  • de maturiteit (op basis van de hydratatiegraad van het mengsel en de omgevingsvoorwaarden)
  • het minimale aantal voorgeschreven dagen.

1.1 TER PLAATSE GESTORT BETON

De norm NBN ENV 13670-1 bepaalt dat de nabehandeling voor alle blootstellingsklassen (behalve X0 en XC1) mag stopgezet worden, wanneer minstens 50 % van de tijdens de constructieve berekeningen geschatte karakteristieke sterkte bereikt is.

Bij afwezigheid van sterktemetingen kan men forfaitaire nabehandelingsduren gebruiken.
De norm NBN ENV 13670-1 vermeldt de volgende nabehandelingsduren :
  • voor beton in de blootstellingsklassen X0 en XC1 bedraagt de minimale nabehandelingsduur 12 uur, op voorwaarde dat de binding niet langer duurt dan 5 uur en dat de oppervlaktetemperatuur van het beton gelijk is aan of hoger is dan 5 °C
  • voor betonsoorten, gebruikt in de andere klassen, moet de nabehandelingsduur overeenstemmen met de tijd die nodig is opdat het betonoppervlak ten minste 50 % van de voorgeschreven druksterkte zou verkrijgen.
Indien de sterkte niet opgevolgd wordt, kan men gebruik maken van de in tabel 1 vermelde nabehandelingsduren.
Deze zijn afhankelijk van de oppervlaktetemperatuur van het element en van de sterkteontwikkeling van het beton.
De sterkteontwikkeling van het beton is de verhouding tussen de gemiddelde druksterkte na 2 dagen en na 28 dagen bij 20 °C.
De minimale nabehandelingsduren moeten verlengd worden met de bindingstijd, indien deze langer duurt dan 5 uur.

Wij willen erop wijzen dat de aannemer vaak niet op de hoogte is van de verhouding tussen de gemiddelde druksterkte na 2 en na 28 dagen.
Volgens de norm NBN EN 206-1 kan deze verhouding - op aanvraag - bepaald worden door de betoncentrale of het voorwerp uitmaken van een bijkomende eis bij de bestelling.

1.2 GEPREFABRICEERDE PRODUCTEN

Geprefabriceerde betonproducten vallen onder het bereik van de norm NBN EN 13369, die de volgende gegevens bevat.

Tenzij proeven voor de voorziene productieomgeving aantonen dat er geen sterkte- of duurzaamheidsverliezen zijn enerzijds en er geen oppervlakkige scheurvorming optreedt anderzijds, moeten alle vlakken van de vers ontkiste producten beschermd worden tegen uitdroging door ten minste één van de in de norm beschreven methoden.
Er bestaat echter een beperking ten opzichte van de nabehandelingsproducten, aangezien men in dat geval de doeltreffendheid van de methode dient na te gaan door voorafgaande proeven, die bewijzen dat de sterkte die bereikt wordt met de nabehandelingsproducten even groot is als deze, behaald met de andere methoden.

De bescherming tegen uitdroging moet behouden blijven tot de minimale betonsterkte bereikt wordt, die opgenomen is in tabel 2 (ofwel uitgedrukt door de verhardingsgraad, ofwel door de gemeten sterkte op een cilinder of een kubus aan het einde van de nabehandeling).

2. NABEHANDELINGSPRODUCTEN

Nuttige informatie
Contact
Valérie Pollet
Josse Jacobs
info@bbri.be

Documenten, uitgegeven door het Belgisch Instituut voor Normalisatie (www.bin.be)
PTV 501 Nabehandelingproducten.
Prescriptions techniques/Technische Voorschriften, z.d.

NBN EN 13369 Algemene regels voor vooraf vervaardigde betonwaren (oktober 2001).

NBN ENV 13670-1 Het vervaardigen
van betonconstructies. Deel 1 : algemeen gedeelte (2000).

NBN EN 206-1 Beton. Deel 1 : eisen, gedraging, vervaardiging en overeenkomstigheid (februari 2001).
Daar niet alle producten dezelfde doeltreffendheid hebben, dient deze vooraf bepaald te worden.
Ze kan beoordeeld worden op basis van de PTV 501 met de beschermingscoëfficiënt van het product.
Deze methode bestaat in de bepaling van de waterverliezen door verdamping na 72 uur op betonstalen, behandeld met een nabehandelingsproduct, en in een vergelijking ervan met de resultaten op onbeschermde stalen (referentiestalen).
De stalen worden gedurende 72 uur blootgesteld aan een temperatuur van 35 ± 2 °C en een relatieve vochtigheid van 40 ± 3 %.

De minimale prestatiedrempel voor de beschermingscoëfficiënt, gemeten na 72 uur, met de referentiedosering die aangegeven werd door de producent, bedraagt 75 % voor een proef.




Valérie Pollet, ir., adjunct-afdelingshoofd, afdeling Technologie & Milieu
Josse Jacobs, ing., projectleider, laboratorium Betontechnologie